Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

           

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Hanneke van Asperen

 

Maria in Lood Gegoten:
Productie en Reproductie van Pelgrimstekens in de Middeleeuwen

 
Hanneke van Asperen
 
 
Afbeelding 1: Insigne van Maria, Rocamadour, gevonden in Reimerswaal, lood-tin, 64 x 40 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 144 (HP1 473)

Afbeelding 1: Insigne van Maria, Rocamadour, gevonden in Reimerswaal, lood-tin, 64 x 40 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 144 (HP1 473)

 

In 1174 voltooide Guernes de Pont-Sainte-Maxence zijn Leven van Thomas Becket, waarin hij schrijft dat mensen “een palm meenemen uit Jeruzalem | en van Rocamadour een Maria in lood gegoten | van Santiago een schelp die in lood is gevormd | en nu heeft God aan de heilige Thomas deze ampul gegeven | die door de hele wereld wordt gekoesterd en geëerd.”1 De ampullen van Thomas Becket die in de tijd van schrijven nog vrij nieuw waren – Becket was immers vermoord in 1170 en heilig verklaard in 1174 – stonden toen al in een traditie van loden insignes, waarvan die van Rocamadour (afbeelding 1) en Santiago de Compostella bekendere exponenten waren, althans in de ogen van de klerk uit Pont-Sainte-Maxence. Vanaf die tijd, waarin bedevaartplaatsen in aantal toenamen en mensen steeds vaker op bedevaart gingen, werden meer en meer pelgrimstekens verkocht op steeds meer plaatsen. Deze pelgrimstekens worden in contemporaine bronnen meestal kortweg ‘tekenen’ genoemd, of signa in het Latijn, een woord dat ook op de souvenirs zelf terugkomt: “Zie hier het teken” [ecce signum], zo begint het opschrift op de Souvenirs van Amiens waarop het hoofd van Johannes de Doper aan het publiek wordt getoond.

De souvenirs, goedkoop en herkenbaar, waren gericht op een zo groot mogelijk publiek. Eenieder die een bedevaart had ondernomen, nam graag een loden teken mee naar huis en deze voorwerpen worden dan ook in groten getale teruggevonden tijdens archeologische opgravingen of als toevalsvondsten, vooral in Zeeland, waar vondstomstandigheden gunstig zijn. De mogelijkheid tot serieproductie was de kern van het succes, en tegelijkertijd het zwakke punt van de insignes. Gemaakt van tin en lood, een goedkope metaallegering met een laag smeltpunt, waren insignes gemakkelijk en snel te produceren en misbruik lag op de loer. Het bleek in de praktijk vaak lastig voor kerkfabrieken om toezicht op de productie te houden, hoewel pogingen daartoe wel ondernomen werden.

 
Afbeelding 2: Insigne van Petrus en Paulus, Rome, gevonden in Rotterdam, lood-tin, 27 x 23 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 3359 (HP2 1215)

Afbeelding 2: Insigne van Petrus en Paulus, Rome, gevonden in Rotterdam, lood-tin, 27 x 23 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 3359 (HP2 1215)

 

In een pauselijke brief van Innocentius III, gedateerd 1200, wordt de winst uit de verkoop van loden insignes [signis plumbeis] met de voorstelling van Petrus en Paulus, evenals het recht om ze te gieten, volledig toegekend aan de kanunniken van de Vaticaanse basiliek (afbeelding 2).2 Excommunicatie dreigt voor hen die de loden tekens van Petrus en Paulus zonder toestemming van het kapittel produceerden. Om het belang van controle te onderstrepen, wordt in de pauselijke brief uitdrukkelijk vermeld dat pelgrims de tekens van lood meenamen om te bewijzen dat zij in Rome geweest waren. De noodzaak om met excommunicatie te dreigen, suggereert dat zich problemen hadden voorgedaan met buitenstaanders die zelf insignes produceerden en verkochten.

Hoe populairder een bedevaartplaats, hoe meer de verkoop van insignes opleverde en hoe groter de kans was op misbruik, zoals in Wilsnack dat na 1383, toen er een wonder gebeurde met drie hosties, uitgroeide tot het bekendste Eucharistische cultusoord in Noord-Europa. Menigeen bezocht deze stad in Brandenburg “waar […] de hosties en het kostbare bloed tot de dag van vandaag in grote verering en aanbidding gehouden worden en gezocht worden door [mensen uit] veel landen”, schrijft de Engelse Margery Kempe rond 1430, wanneer zij haar eigen bedevaart op schrift stelt.3 Tinloden souvenirs van de drie hosties, een onder en twee erboven met kruisjes erop (afbeelding 3), worden veelvuldig teruggevonden in Duitsland, maar ook in Zweden, Polen, Nederland, België en Engeland [Kunera]. Het beeld van de drie hosties werd iconisch, door iedereen herkend en was zo onlosmakelijk met Wilsnack verbonden dat het niet eens nodig was om het insigne van een tekst of stadswapen te voorzien. De drie hosties hoorden bij Wilsnack en nergens anders.

 
Afbeelding 3a: Insigne van de drie hosties, Wilsnack, gevonden in Nieuwlande, lood-tin, 26 x 30 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 1386 (HP1 135)

Afbeelding 3a: Insigne van de drie hosties, Wilsnack, gevonden in Nieuwlande, lood-tin, 26 x 30 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 1386 (HP1 135)

 
 
Afbeelding 3b: Insigne van de drie hosties, Wilsnack, gevonden in Nieuwlande, lood-tin, 26 x 30 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 1386 (HP1 135)

Afbeelding 3b: Insigne van de drie hosties, Wilsnack, gevonden in Nieuwlande, lood-tin, 26 x 30 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 1386 (HP1 135)

 

In het jaar 1396, slechts dertien jaar na het ontstaan van de cultus, veroordeelde de bisschop van Havelberg pelgrims van Wilsnack die hun insignes met winst doorverkochten.4 Kennelijk waren mensen elders bereid om een hoge prijs te betalen voor de ongetwijfeld relatief goedkope insignes uit de populaire cultusplaats. Insignes van loodtin konden niet alleen voor weinig geld worden aangeschaft (en duurder verkocht) maar ook gemakkelijk worden nagemaakt. Een insigne van Wilsnack (afbeelding 3: voor- en keerzijde) heeft een oogje met een pin erdoor aan de achterzijde, die niet kunnen worden gebruikt ter bevestiging omdat de pin mee is gegoten en dus vastzit aan het object, een restant van een insigne dat in zijn geheel werd gekopieerd. Voor bevestiging is de kopie aan de bovenzijde voorzien van een oogje, zodat het kon worden vastgenaaid of opgehangen in plaats van gepind, zoals het insigne dat als model diende. Wellicht werden dergelijke kopieën in opdracht van de kerkfabriek van de Sankt Nicolai in Wilsnack gemaakt, maar het is ook denkbaar dat hier vervalsers aan het werk waren die wilden meeprofiteren van het succes van de afzet van souvenirs van Wilsnack.

Insignes van populaire bedevaartsoorden werden niet alleen gekopieerd, maar ook aangepast voor gebruik in een andere bedevaartplaats. Sommige kerkfabrieken lieten insignes ontwerpen met een voorstelling waarin wordt teruggegrepen op pelgrimstekens uit een ander oord, meestal een invloedrijke pelgrimsplaats waarvan het cultusobject zijn gunstige uitwerking had bewezen, zoals in het eerder genoemde Rocamadour (afbeelding 1). De amandelvormige souvenirs uit de stad in de Auvergne waren zo bekend in heel Europa [Kunera: browse Insignes & Ampullen > Maria > Maria, Rocamadour], dat ze het prototype werden van Maria-souvenirs uit verschillende andere plaatsen. Insignes uit de Franse pelgrimsplaatsen Vauvert en Le Puy, en ook de pelgrimstekens uit Riga, werden gebaseerd op de insignes van Rocamadour.

Vooral kerkfabrieken van jonge bedevaartplaatsen die nog in opkomst waren, en waarvan de insignes nog geen vaste vorm hadden, waren soms geneigd om hun insignes naar andere te modelleren. De vroegste souvenirs uit ’s-Hertogenbosch voegen zich qua vorm naar insignes uit Aken (vergelijk afbeelding 4 en 5).

 
Afbeelding 4: Insigne van Maria tussen Johannes de Evangelist en een pelgrim, boven: de bosboom van Den Bosch tussen twee torens, ’s-Hertogenbosch, gevonden in Mechelen, lood-tin, 83 x 61 mm, Mechelse Vereniging voor Archeologie, PT-109-36-1 (HP3 2560)

Afbeelding 4: Insigne van Maria tussen Johannes de Evangelist en een pelgrim, boven: de bosboom van Den Bosch tussen twee torens, ’s-Hertogenbosch, gevonden in Mechelen, lood-tin, 83 x 61 mm, Mechelse Vereniging voor Archeologie, PT-109-36-1 (HP3 2560)

 
 
Afbeelding 5: Insigne van Maria tussen Karel de Grote en een bisschop, boven: kroning van Maria, Aken, gevonden in Dordrecht, lood-tin, 86 x 64 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 3609 (HP2 1374)

Afbeelding 5: Insigne van Maria tussen Karel de Grote en een bisschop, boven: kroning van Maria, Aken, gevonden in Dordrecht, lood-tin, 86 x 64 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 3609 (HP2 1374)

 

De ronde omlijsting met een driedelige arcade waar Maria centraal is opgesteld en wordt geflankeerd door twee figuren, werd overgenomen van Akense pelgrimstekens waar Maria op vergelijkbare wijze is voorgesteld. Ook de twee torens bovenop de ronde omlijsting lijken naar Akense souvenirs (afbeelding 6) terug te gaan. 

 
Afbeelding 6: Insigne van Maria tussen Catharina en Karel de Grote, boven: de reliek van de tunica tussen twee torens, Aken, gevonden in Dordrecht, lood-tin, 120 x 77 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 2323 (HP1 421)

Afbeelding 6: Insigne van Maria tussen Catharina en Karel de Grote, boven: de reliek van de tunica tussen twee torens, Aken, gevonden in Dordrecht, lood-tin, 120 x 77 mm, collectie Familie Van Beuningen, inv. 2323 (HP1 421)

 

In ’s-Hertogenbosch werden bovendien spiegelinsignes vervaardigd, wat hoogstwaarschijnlijk ook ingegeven werd door voorbeelden uit Aken. Dat in Aken, net als in ’s-Hertogenbosch, een Maria werd vereerd, dat er veel wonderen werden opgetekend, en dat de keizerstad al lange tijd pelgrims van heinde en verre trok, zal zeker een rol hebben gespeeld in de keuze om juist deze insignes als voorbeeld te nemen. Enerzijds wilde Den Bosch graag het beeld uitstralen dat het zich kon meten met het zo populaire Aken. Anderzijds hoopte ze mee te liften op het succes van de keizerstad.

Kortom, tinloden pelgrimstekens verenigen enkele tegenstrijdige aspecten. Ze waren goedkoop, maar emotioneel beladen en gewild, en dus kostbaar; het waren bedevaartssouvenirs, maar de eigenaar hoefde niet op reis te zijn geweest om zich het insigne te bemachtigen; ze waren verbonden met hun plaats van herkomst maar konden ook ergens anders gemaakt en nagemaakt worden. Het reproduceren van insignes zonder toestemming werd afgekeurd, want het betekende dat de kerkfabriek inkomsten misliep, maar was niet tegen te gaan. Het gevaar van misbruik nam toe naarmate de populariteit van de bedevaartplaats toenam. Ondanks de sterke verbondenheid van pelgrimstekens met hun plaats van herkomst konden ze, mede vanwege het gemak waarmee ze geproduceerd en gereproduceerd konden worden, niet dienen als een bewijs dat iemand een bedevaart had ondernomen, ook al werden ze waarschijnlijk soms wel zo gebruikt. Mensen in de middeleeuwen waren zich van deze nuances bewust, maar ervoeren ze waarschijnlijk niet als paradoxaal in een wereld waarin alles verbonden was, al het goede een kwade exponent had, en het aardse een afspiegeling van het hemelse was. Hoewel goedkoop en serieel vervaardigd waren pelgrimstekens via hun beeltenis onlosmakelijk verbonden met het cultusobject, en dus met het goddelijke dat zich in het cultusoord openbaarde. Het waren signs of the divine, binnen handbereik van iedereen.

 


  1. Guernes de Pont-Sainte-Maxence, La vie de saint Thomas le martyr, archevêque de Canterbury, translated by Gerard Forde. ↩

  2. Collectio Bullarum, breviorum aliorumque diplomatum Sacrosanctae Basilicae Vaticanae, 3 vols, Rome 1747-1752, I, p. 82. L. Schiaparelli, ‘Le carte antiche dell’archivio capitolare di San Pietro in Vaticano’, Archivio della Reale Società Romana di Storia Patria, no. 24-25 (1901-02), pp. 393-496 and pp. 273-354. ↩

  3. Lynn Staley (ed.), The Book of Margery Kempe, University of Rochester 1996. ↩

  4. Peter Browe, Die eucharistischen Wunder des Mittelalters, Breslau 1938, p. 157. ↩